Taalverwerving
Taalverwerving. Dat
is niet een woord waar ik in mijn vrije tijd eens flink over na zou
denken. Een poosje terug vond ik het verwerven van taal nog iets heel
vanzelfsprekends. Heel normaal. Niks geks. Maar een aantal weken
terug begonnen we bij het vak Nederlands met het behandelen van
taalverwerving en vier verschillende taalkundetheorieën omtrent dit
onderwerp. Tijdens lessen werd ik mij er steeds bewuster van dat
taalverwerving eigenlijk iets heel interessants is. Want hoe kan het
nu dat we eigenlijk allemaal over hetzelfde taalgevoel beschikken?
Hoe weten we van een zin die we nog nooit gehoord hebben toch of deze
grammaticaal correct is of juist niet?
De volgende vier
taaltheorieën proberen antwoord te geven op vragen als deze.
Chomsky
We beginnen met de
theorie van Noam Chomsky. De theorie van deze Amerikaanse taalkundige
kun je op de volgende manier kort samenvatten: kinderen kunnen een
taal verwerven door hun aangeboren aanleg hiervoor. Hij denkt dus dat
taalgevoel aangeboren is en dat het kinderen de taal niet 'leren'.
Het argument dat hij hiervoor aanvoert is dat een taal te complex zou
zijn om aan te leren. Uiteraard is deze theorie niet waterdicht,
daarom zegt Chomsky ook dit: De Universele Grammatica bestaat uit
principes en parameters.1
Het algemene taalgevoel bestaat uit principes en zijn voor elke taal
hetzelfde. De parameters worden gebruikt voor het leren van
specifieke kenmerken van een taal. Hier wordt dus later in het leven
pas inhoud aan gegeven.
Optimaliteitstheorie
De
Optimaliteitstheorie heeft een iets andere kijk op taalverwerving.
Deze theorie gaat wel uit van aangeboren taalgevoel maar met andere
voorwaarden. Volgens deze theorie bestaan er allerlei regels over
taal waaraan een spreker van die taal zich zo goed mogelijk probeert
te houden. Natuurlijk kunnen deze regels elkaar tegenspreken en
daarom is een regel ofwel 'hard' ofwel 'zacht'. De beste zin zou zijn
als er geen regels worden geschonden, maar als het echt niet anders
kan hebben de 'harde' regels voorrang. Per taal verschillen de
sterkten van de regels weer.2
Tomasello
De derde visie gaat
niet uit van aangeboren taalgevoel. Volgens Tomasello is niet het
taalinstinct aangeboren, maar het sociale instinct. Kinderen hebben
de wil om volwassenen te begrijpen en met hen te communiceren en
daardoor leren zij alles van hun omgeving. Ze stoppen allerlei
elementen die ze opvangen bij elkaar en maken daar hun eigen taaltje
van. Als je als ouder je kind verbetert of bepaalde woorden vaak
genoeg herhaalt, zal het kind er uiteindelijk een betekenis aan geven
en dit opslaan voor later gebruik.3
Neurale netwerktheorie
De laatste
taalkundetheorie is de neurale netwerktheorie. Deze theorie is ook
niet gebaseerd op aangeboren grammatica bij kinderen net als bij
Tomasello. Deze theorie zegt dat kinderen geen taal leren door
representaties en regels in te vullen, maar juist door het toepassen
van meer algemene verstandelijke principes en mechanismen. Taal kan
geleerd worden door zenuwverbindingen in de hersenen te versterken:
hoe vaker een bepaalde zinsconstructie of een bepaald woord gehoord
wordt, hoe sterker deze binding zal worden. Dus hoe beter een kind
het zal onthouden en kunnen reproduceren. Door herhaling zal
volgens deze theorie ook de verbinding in het neurale netwerk zich
versterken en zo ontstaat er een specifieke configuratie van neuronen
die geactiveerd worden, telkens wanneer hetzelfde woord of dezelfde
zinsconstructie gehoord wordt.4
Er bestaan dus
uiteenlopende theorieën wat betreft de taalverwerving van de mens.
Van aangeboren taalgevoel naar taal geleerd door de omgeving. Welke
theorie nu de exacte waarheid is, valt niet met onderzoek uit te
wijzen. En wellicht komen er wel weer nieuwe theorieën bij of vallen
er oude af. De wetenschap zit nooit stil.